3 sep 2026
|
Gesponsord
Nederlandse havens en overslagbedrijven staan onder toenemende druk om walstroom grootschalig beschikbaar te maken, passend bij ambities om uitstoot te beperken en de leefbaarheid rond havens te vergroten. Vorig jaar bleek dat pas ongeveer twintig procent van de benodigde aansluitingen gerealiseerd of gecontracteerd was. Tegelijkertijd loopt het elektriciteitsnet in veel havengebieden al tegen zijn grenzen aan. De vraag is dus hoe je de energie-infrastructuur van een haven zo inricht dat die ook de elektrificatie van morgen aankan?
Die complexiteit vraagt om samenwerking over disciplines heen. Siemens Nederland en Endenburg Elektrotechniek trekken hierin gezamenlijk op. Werner van Vliet, bij Siemens Nederland verantwoordelijk voor de portfoliostrategie rond energie-infrastructuur, en directeur Rik Kant van Endenburg Elektrotechniek, zien vanuit hun dagelijkse betrokkenheid bij haveninfrastructuur hoe elektrificatie nieuwe eisen stelt aan samenwerking in de keten.
Havens staan voor een vraagstuk dat groter is dan het installeren van een walstroomaansluiting, vertelt Kant. De infrastructuur moet betrouwbaar, veilig, schaalbaar en economisch verantwoord zijn. Siemens Nederland en Endenburg combineren daarvoor hun kennis van energie-infrastructuur, automatisering en energiemanagement: Siemens Nederland levert technologie en componenten, Endenburg vertaalt dit als system integrator naar de praktijk. “Een havenbedrijf heeft geen behoefte aan een oplossing van de ene leverancier en een installatie van de andere. Het gaat erom dat alles als geheel goed functioneert”, aldus Kant.
Dat vraagt ook iets van de organisatie. Engineering, projectmanagement, service en data- en automatiseringsexperts moeten elkaar vroeg in het traject vinden, in plaats van pas wanneer het ontwerp al vaststaat. Voor havenbedrijven scheelt dat aanzienlijk: zij zien dan niet twintig losse disciplines, maar één team dat verantwoordelijk is voor een werkend systeem.
Walstroom oogt eenvoudig: schip aan de kabel en de generator uit. De complexiteit zit volgens Kant vooral achter die stekker. Een schip vraagt op verschillende momenten een ander vermogen, en de walinfrastructuur moet dat veilig kunnen leveren binnen de capaciteit van het net. Dat betekent onder meer transformatoren, middenspanning, beveiliging, power quality en communicatie met het schip. Ook netcongestie – in havens als Rotterdam een steeds nijpender probleem – speelt mee. De grootste opgave zit niet in één losse factor, maar in de optelsom van netcapaciteit, techniek en regelgeving, stelt Kant.
Hij ziet een walstroomaansluiting daarom steeds minder als losstaande installatie, en liever als energiehub binnen de haven, waarbij vooraf al rekening wordt gehouden met toekomstige vermogensgroei en extra aansluitpunten. Wie vandaag alleen voor de huidige vraag ontwerpt, loopt het risico over enkele jaren tegen grenzen aan te lopen.
Waar Kant de fysieke kant belicht, gaat het bij Van Vliet vooral over de koppeling tussen die installaties, OT en IT. Traditioneel waren gegevens over energie, installaties en onderhoud vaak los van elkaar beschikbaar. Door OT en IT beter te verbinden ontstaat een completer beeld van vermogen, verbruik en prestaties.
Niet alle data zijn even waardevol, benadrukt Van Vliet. Vermogen, belastingprofielen, storingen en beschikbaarheid van componenten zijn relevant, maar pas gecombineerd met operationele informatie – zoals welk schip wanneer aan de kade ligt – ontstaat echte stuurinformatie. Dat opent ruimte voor kunstmatige intelligentie, vooral bij het herkennen van afwijkend gedrag voordat een storing ontstaat, en bij het voorspellen van energievraag en onderhoud. “De belangrijkste vraag is niet waar we AI kunnen inzetten, maar welk probleem we ermee willen oplossen”, verklaart Van Vliet. Volledig autonome sturing van een havenenergiesysteem is nog een ander verhaal, waarin veiligheid en cybersecurity een grotere rol spelen. Cybersecurity moet daarom vanaf het ontwerp onderdeel zijn van een installatie, niet als laag die achteraf wordt toegevoegd.
Willen havens de komende jaren snel opschalen, dan is standaardisatie volgens beiden essentieel. Kerntechnologie, interfaces en besturing kunnen grotendeels gestandaardiseerd worden, ook al verschilt de fysieke situatie per haven. Een modulaire aanpak met bewezen bouwstenen maakt opschalen sneller en goedkoper. Dat vraagt ook een andere blik op kosten: beschikbaarheid, onderhoud en uitbreidbaarheid wegen minstens zo zwaar als de aanschafprijs, zeker over een levensduur van vijftien tot twintig jaar.
Slagen de twee partijen daarin, dan moet dat over vijf jaar merkbaar zijn in hogere beschikbaarheid, minder ongeplande uitval, lager energieverlies en kortere doorlooptijden bij nieuwe projecten. Minstens zo belangrijk: een havenbedrijf hoeft dan niet telkens opnieuw bij nul te beginnen zodra de volgende elektrificatieopgave zich aandient.
Van Vliet verwacht dat een haven in 2035 vooral functioneert als één geïntegreerd energie- en datanetwerk, waarin netcapaciteit, lokale opwek, opslag en flexibel verbruik samenkomen – en walstroom nog maar één van de vele energiestromen is. De ambitie van Siemens Nederland en Endenburg is dat de infrastructuur die nu wordt gebouwd, ook de groei van de haven van morgen mogelijk maakt.