11 sep 2026
|
Gesponsord
Rond een kwart van de Nederlandse bevolking is over twintig jaar ouder dan 65. De zorgvraag stijgt, personeel is schaars en de woningmarkt biedt nauwelijks antwoord. Toch ligt de oplossing niet alleen in meer bouwen of opleiden: de kern van het vraagstuk is fundamenteel anders van aard.
Eén op de zes à zeven mensen is momenteel werkzaam in de zorg. Zet de vergrijzing door, dan is dat straks één op de drie. “Je hoeft geen groot ziener te zijn om te zeggen dat dat niet gaat gebeuren”, stelt Harry Platte, bestuursvoorzitter van Woonzorg Nederland, de grootste landelijke woningcorporatie voor seniorenhuisvesting. Platte pleit ervoor vergrijzing niet langer als woonvraagstuk te zien, maar als samenlevingsvraagstuk.
Woonzorg Nederland ontwikkelt en beheert woonvormen voor ouderen met uiteenlopende woonwensen en zorgbehoeften. Centraal staat niet de woning, maar de leefomgeving. Platte verduidelijkt het onderscheid: “Als je vergrijzing als woonvraagstuk beschouwt, is het net alsof je het ook met alleen woningen kunt oplossen. En dat is het niet.”
De organisatie zet al ruim tien jaar in op ontmoeting als fundament van welbevinden. Ontmoetingsruimten worden bewust in de woningplattegronden opgenomen, ook al had die ruimte als woning verhuurd kunnen worden. De gedachte hierachter is dat mensen elkaar eerst herhaaldelijk moeten ontmoeten voordat er een gesprek ontstaat. Wie dat proces faciliteert, investeert in sociale cohesie en preventie van een zwaardere zorgvraag.
Projecten als De Bloemendal in Deventer en Stadsveteraan in Amsterdam weerspiegelen hoe die aanpak in de praktijk werkt. De ontmoetingsruimte van De Bloemendal heeft een verbindende functie in de wijk, door praktijklessen voor het voortgezet onderwijs en activiteiten voor jong en oud. Bij Stadsveteraan werden bewoners al in de ontwerpfase betrokken bij de invulling. De individuele woning is iets kleiner, de gangen zijn breder, en er zijn gemeenschappelijke ruimten zoals een keuken met grote eettafel en een atelier. “Dan lever je vier, vijf vierkante meter in op je directe woonruimte, maar met z’n allen heb je een prachtige grote keuken, klusruimte of atelier”, aldus Platte.
Een hardnekkig misverstand in de sector is dat seniorenhuisvesting een specialisme is voor een beperkt aantal organisaties. Platte doorprikt dat beeld: hij sprak recent een bestuurder van een Amsterdamse woningcorporatie die het woord senioren wegwuifde, maar wiens huurders gemiddeld zestig jaar oud bleken. “Toen zei ik: gefeliciteerd, over vijftien jaar ben jij Woonzorg Nederland.” In vastgoedtermen is vijftien jaar kort. Platte stelt dat elk corporatiebestuur zich moet afvragen hoe huidige huurders die periode goed in hetzelfde complex kunnen wonen, want ze vertrekken niet meer naar verpleeghuizen zoals vroeger. “De meesten blijven wonen in de woning waar ze nu al zitten. Dat moet je beseffen als bestuurder.” Maar een corporatie kan volgens hem alleen de bedding maken. “Een gemeenschap ontstaat door mensen, dus ze moeten het ook zelf doen.”
De financiering van dit model stuit alleen op een structureel probleem. Woonzorg Nederland investeert in ontmoetingsruimten, terwijl de opbrengsten via lagere zorgkosten elders in het systeem terechtkomen. Zorgkantoren bevestigen besparingen tot miljoenen per project, landelijk tot miljarden. Maar de partij die investeert, profiteert niet.
“Een onsje welzijn scheelt een kilo zorg”, citeert Platte zijn voorganger Cees van Boven, al ligt de werkelijke factor volgens hem inmiddels hoger. De oplossing is niet ingewikkeld. Ontmoetingsruimten moeten als kwaliteitsvoorziening worden erkend, waarvoor extra huur gevraagd mag worden. Dat maakt investeringen voor corporaties financieel haalbaar, zonder dat elk project opnieuw een subsidiepotje vereist.
Ook fiscaal wordt de investeringsruimte kleiner. Als non-profitorganisaties vloeien alle inkomsten terug in nieuwbouw, onderhoud en verduurzaming. Toch betaalden woningcorporaties vorig jaar gezamenlijk zo’n 700 miljoen euro aan vennootschapsbelasting. Branchevereniging Aedes verwacht dat dit bedrag oploopt tot 1,5 miljard euro in 2029, geld dat niet naar woningen gaat maar naar de schatkist, terwijl huurstijgingen wettelijk aan banden liggen. “Uiteindelijk betalen huurders hiervoor de rekening”, aldus Platte. “Voor Woonzorg Nederland geldt dat met het afschaffen van de vennootschapsbelasting 300 extra woningen per jaar gebouwd kunnen worden, dat zijn 3000 woningen in tien jaar.”
Op lange termijn is Platte voorstander van een stelselwijziging, met wonen, zorg en welzijn als één systeem, niet als drie gescheiden domeinen. “Hoe kunnen we het zo suboptimaal organiseren?” Maar hij wacht er niet op. Zijn devies is groot denken, klein doen en nu al lokaal samenwerken. Wat hij beleidsmakers meegeeft: begin met een maatschappijvisie, niet een zorgredenering. Minder dan één procent van de zorgkosten gaat naar preventie, dus het structureel verhogen naar vier of vijf procent zou al een kentering betekenen. “Als je begint te redeneren vanuit zorg, eindig je ook met zorg.”