3 sep 2026
|
Gesponsord
De scheepvaart staat voor een van de grootste verduurzamingsopgaven van de transportsector. Nieuwe Europese regelgeving, stijgende CO2-heffingen en druk vanuit industriële klanten dwingen rederijen tot keuzes. Maar welke brandstof is over tien jaar nog de juiste? En wie betaalt de rekening en hoe snel gaan we?
Marcel Sparreboom, general manager Nederland van Wallenius SOL, plaatst eerlijke kanttekeningen bij de snelheid van de transitie. Wallenius SOL vervoert industriële lading tussen Noord-Zweden en Finland en de West-Europese havens, waaronder Zeebrugge en Antwerpen. De basis van hun businessmodel ligt bij de papier- en houtsector. “Het meeste van onze lading bestaat uit papier uit Zweden en Finland”, legt Sparreboom uit. Daarnaast vervoert het bedrijf staal, rollend materieel, containers en stukgoed. Die schaal biedt een belangrijk voordeel: hoe meer lading wordt gebundeld op efficiënte vaste routes, hoe lager de uitstoot per ton vracht. Het bedrijf heeft al een deel van de vloot overgezet. Twee schepen varen nu op LNG en één schip is technisch voorbereid op methanol. Bij oudere schepen wordt biobrandstof ingezet. “Ook al is dat een duurdere en complexere keuze”, zegt Sparreboom. Twee nieuwbouwschepen staan in de planning, maar de keuze voor de definitieve brandstof laat het bedrijf bewust open. Dat heeft vooral een pragmatische reden – de brandstoftechnologie ontwikkelt zich snel en de infrastructuur in havens loopt nog altijd achter.
Ook al is dat een duurdere en complexere keuze
Daar zit dan ook precies een spanningsveld. Wallenius SOL kan schepen bouwen die klaar zijn voor alternatieve brandstoffen, maar of die brandstoffen straks op voldoende schaal beschikbaar zijn in de havens die het bedrijf aandoet, is een andere vraag. “De infrastructuur is er nog niet”, stelt Sparreboom. Havens als Rotterdam beschikken over meer middelen om te investeren, maar kleinere havens volgen pas later. Verduurzaming is daarmee een ketenprobleem en geen beslissing die een rederij alleen kan nemen.
Tegelijkertijd wordt stilstaan duurder. Het Europese ETS-systeem maakt uitstoot voor rederijen steeds duurder. Sparreboom erkent dat sommige concurrenten kiezen voor hogere kosten in plaats van investeren in schonere alternatieven, simpelweg omdat dat vooralsnog goedkoper uitpakt. Wallenius SOL maakt een andere strategische afweging. “In onze plannen is geaccepteerd dat we tien tot twintig procent minder winst maken, maar dat we wel meespelen.” Schaalvergroting helpt daarbij, omdat grotere schepen verhoudingsgewijs minder brandstof verbruiken en efficiëntere routes mogelijk maken.
Of duurzaamheid op termijn een concurrentievoordeel wordt voor de Noord-Europese logistiek? Sparreboom is voorzichtig: “Op bepaalde markten misschien, maar niet op korte termijn. De komende jaren zie ik dat nog niet gebeuren.” Toch blijft het bedrijf investeren, met een groeiplan tot 2030 waarin verduurzaming nadrukkelijk een centrale rol speelt. De snelheid hangt alleen af van wat de keten aankan.